كتاب · Max Havelaar
صفحة 242 من 887
المؤلف: Multatuli
الوقت0:00
السرعة (WPM)0.0
الدقة100.0%
اضغط ابدأ واكتب السطور بدقة. · مفتاح الرجوع معطل — استمر حتى بعد الخطأ.
Vinden we niet reeds in de verzen die van zyn jeugd dagteekenen,
regels als deze, die geschreven waren op den Salak--een der
reuzen, maar niet de grootste, onder de bergen van de Preanger
Regentschappen--waarin alweder de aanhef de zachtheid zyner
aandoeningen teekent, om op-eens overtegaan in 't naspreken van
den donder dien hy onder zich hoort:
't Is zoeter hier zijn Maker luid te loven... 't Gebed klinkt
schoon langs berg- en heuvelrij... Veel meer dan ginds rijst hier
het hart naar boven: Men is zijn God op bergen meer nabij! Hier
schiep Hijzelf altaar en tempelkoren, Nog door geen tred van 's
menschen voet ontwijd, Hier doet Hij zich in 't raat'lend onweer
hooren... En rollend roept Zijn donder: Majesteit!(*)
(*)Frits zegt: ijd en eit rijmt niet, althans niet in Friesland
en Zeeland. Die Sjaalman schijnt dan niet eens verzen te maken,
die deugen. 't Is waar, 't was in zijn jeugd. B. Droogstoppel[60]
اضغط ابدأ واكتب السطور بدقة.
لم يبدأ